Plastic fantastic en kimchi – een gastcollege

Wat weten tweedejaarsstudenten aan de Hogeschool Rotterdam over Zuid-Korea? “Kimchi en kimbap”, roept er een. “Zuid-Koreanen downloaden snel”, zegt de ander. “Nederland is nu bezig met 4G internet, in Zuid-Korea werken ze al aan 5G.”

Ik geef een guest lecture, in het Engels, over ‘Doing business in Korea’. Mijn gehoor: vijftig studenten van de Rotterdam Business School. Een aantal van hen luistert geboeid, anderen kijken onverschillig. Sommigen tikken achter een laptop.
Andere reacties die ik krijg als ik vraag naar wat ze kennen van Korea: Samsung, Gangnam, K-pop, LG, voetballer Park Ji-Sung, oorlog met Noord-Korea, en – heel specifiek – koning Sejong, die het Koreaanse alfabet hangeul ontwikkelde.
Een van de studenten is al in Seoul geweest, “drie dagen maar hoor”, en omschrijft die als een “superdrukke stad”. Ook weet een jongen te vertellen dat plastische chirurgie heel populair is in het land. “Plastic fantastic”, zegt hij.
Delen van deze lecture is hen bekend van andere colleges die ze volgen. Dat Westerse culturen bijvoorbeeld verschillen met die in Azië als het gaat om het belang van de groep en om hiërarchie. Een meisje weet te vertellen: “Zelfs als iemand maar een of twee jaar ouder is dan jij, wil hij anders behandeld worden. Met meer beleefdheid.” Ook de termen directe en indirecte communicatie roepen weinig vragen op.
Als ik vertel dat Koreanen over het algemeen slecht Engels spreken, reageren ze ietwat verrast. Een aantal van hen gniffelt als ik zeg dat assertiviteit en mondigheid, twee eigenschappen die zeer gewaardeerd worden in Nederland, niet in goede aarde vallen in Korea.
Enkelen reageren gevat als ze horen dat de Koreaanse chaebol Hanwha zowel explosieven maakt alswel actief is in verzekeringen. En als ‘Lotte’ valt, de naam van een ander Koreaans conglomeraat, roept een student: “Hè, maar dat is een Nederlandse naam!”
Een jongen vraagt verder of het gepast is als hij een Koreaanse, nadat die hem een kado heeft gegeven, mag knuffelen. (“Neuh, doe maar niet.”). Een ander wil weten of ik Japanse ben (“Uh, nee.”), en of Seoul een criminele stad is (“Zeker niet.”)
Na de – bij vlagen – luidruchtige 70 minuten ontvang ik met ietwat rode konen en ietwat hese stem applaus. Eentje roept nog bij het weggaan ‘Gamsahamnida!’. “Geen dank”, zeg ik terug. De tweede groep staat alweer te wachten.